Coos Ayal

Coos Ayal (Costavina Ayal, geboren 15 april1926, Titawai op het eiland Nusaulaut in de Bandazee) - 28 maart 2015, Ridderkerk.

De broer van haar moeder met zijn vrouw adopteren haar. Het gezin Nahuwae is kinderloos. In Manokwari (Nieuw-Guinea)leeft Coosje in een gemeenschap die de bovenlaag van de lokale samenleving vormden.

"Toen de Japanners landden in de baai van Manokwari, trok ik als 15-jarige met mijn tante en oom, een bestuursambtenaar, en een kleine strijdmacht van 62 man, het binnenland in. Uiteindelijk hebben maar 17 man het oorlogsgeweld overleefd, ik ook, als enige vrouw.

Mijn tante is door de Japanners onthoofd”.

Op een gegeven moment was Ayal zo ziek en verzwakt, dat zij niet verder kon. "Ik had alle tropische ziekten tegelijk, dysenterie, malaria, beri-beri en oedeem. Mijn oom kreeg de opdracht mij maar dood te schieten, ik mocht in geen geval levend in handen van de Japanners vallen. Mijn geloof in God en een intens gebed hebben mij gered!"

Op 4 oktober 1944 werden we bevrijd. De uiteindelijke redding voor de sterk uitgedunde groep kwam ook van boven, een vliegtuig landde op een afstand van zes dagen lopen van het bivak. Een Papoea leidde hen er naar toe. In Hollandia kon de groep op verhaal komen en na drie maanden ziekenhuis werd Ayal naar het Australische Brisbane getransporteerd waar zij werd ingelijfd bij het Vrouwenkorps en een opleiding kreeg tot infanteriste verpleegster en werd bevorderd tot korporaal Ayal.

Na de oorlog stuurden wij de vlag met onze namen erop aan Koningin Wilhelmina. Op een dag moest ik bij generaal Van Mook komen in de kantine. Uit naam van de Koningin kreeg ik het Kruis der Verdiensten en in een handgeschreven brief bedankte ze ons voor de vlag en onze trouw aan Holland.

In de legerkantine in Brisbane ontmoette ik mijn man. Hij was afkomstig van Curaçao en op onze basis gelegerd. Wij trouwden, mijn man kreeg een baan bij de Shell op Curaçao en we kregen negen kinderen. Toen ik dertig jaar later op Ambon terugkeerde, zag ik mijn vader en ons gezin pas weer. Mijn vader had in de oorlog te horen gekregen dat ik vermoord was door de Japanners. Hij bleef echter altijd rotsvast geloven en volhouden – naar iedereen die er naar vroeg – dat ik nog leefde.

In 1981 kreeg ik van Prins Bernhard het Verzetsherdenkingskruis opgespeld. Toen ik terug wilde naar Nederland met mijn gezin vanuit Curaçao schreef ik om hulp en werd alles voor mij geregeld.

Een huis in Ridderkerk en een verzetspensioen. Bij de herdenking op 15 augustus ben ik altijd in Den Haag. Twee maal per jaar kwam onze verzetsgroep Kokkelink bijeen.