Harry Frederik Voss

Geboren te Parimaribo (Suriname) op 12 maart 1912. Geëxecuteerd te Kota Tjane op 29 mei 1943. Soldaat der infanterie bij de KNIL (30-10-1934), sergeant geworden op 31 oktober 1940).

Bekende onderscheidingen: Ridder 4e klasse der Militaire Willems-Orde (K.B. no. 45 van 8 augustus 1950; postuum bijgeschreven in het register). Op de plaquette van het oorlogsmonument te Paramaribo staat zijn naam, gespeld als Vos, bij de 12 vermelde militairen (zie boven).

Volgens Ad van den Oord wilden de Japanse bezetters na hun overwinning op 8 maart 1942 op verschillende manieren gebruik maken van de gevangen genomen Nederlandse militairen, onder wie Voss. Ze wilden inlichtingen hebben, en hen ook inschakelen bij de training van Indonesiërs voor het Japanse leger. Sergeant Voss, ondanks martelingen, weigerde alle medewerking.

De motivatie van de toekenning der Militaire Willemsorde richt zich ook op de gelijkschakeling van Indo-Europeanen met Indonesiërs:

“Heeft zich door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw in de strijd tegenover de vijand onderscheiden door, aanvankelijk als krijgsgevangene ondergebracht in een kamp te Lawe Segalagala (Atjeh), in Mei 1943 een request mede te ondertekenen met het verzoek om het besluit, waarbij Indo-Europeanen als Indonesiërs werden aangemerkt en zodoende als 'Heiho' soldaten in dienst van het Japanse Leger moesten treden, in te trekken en anders te beslissen dat de Indo-Europeanen als Nederlandse krijgsgevangenen zouden blijven beschouwd en als zodanig zouden worden behandeld, met het gevolg dat de ondertekenaars van dit rekest door de daarover gebelgde Japanners werden gevangen gezet.

Voorts door in zijn weigering om in Japanse dienst te treden te blijven volharden, waarop hij op 28 Mei 1943 naar Kota Tjane werd gevoerd om aldaar ten aanschouwen van al het volk te worden terechtgesteld.

Vervolgens door, toen daarbij een Japans officier onder de indruk van zijn trouw en standvastigheid hem een laatste gunst toestond, luide in het Maleis, zodat allen het konden horen, te antwoorden: "Japanner, ik wil dat een rood-wit-blauwe vlag om mijn borst wordt gewikkeld en schiet dan maar raak."

Voorts door, toen aan zijn wens gevolg was gegeven en hem was toegestaan nogmaals een wens te doen, aan de Japanners mede te delen, dat zij geen eerlijke soldaten waren, omdat zij hem tot verraad aan zijn Koningin wilden dwingen; dat zij wel meenden de oorlog te hebben gewonnen, doch dat de eindoverwinning aan de Geallieerden zou zijn en dat, zolang er nog één Hollander leefde, zij geen rust in dit land zouden kennen.

Ten slotte door, toen de Japanners hem wilden blinddoeken, dit op heldhaftige wijze af te wijzen met de woorden: "Ik ben een Hollander en durf te sterven", en, nadat reeds enige schoten op hem waren gelost, doch hij nog leefde, luidkeels te roepen: "Leve de Koningin", totdat nog een schot een einde aan zijn leven maakte, waarna zijn lijk de volgende morgen in de Alasrivier werd geworpen.’